Zenc Blog

Gijzelingsdrama met onbekende afloop

Door Ton Monasso · 25 augustus 2010

Wethouders die zich door de minister laten ringeloren, gemeenten die niets te zeggen hebben over hun inkomsten en Kamerleden die zich met regionale details bemoeien…

Gemeenten, provincies en waterschappen waren door Thorbecke ooit een zekere autonomie toebedeeld. Het oorspronkelijke idee van de gedecentraliseerde eenheidsstaat lijkt echter steeds verder af te staan van de huidige bestuurlijke cultuur. Het is tijd dat de gijzeling van de decentrale autonomie wordt beëindigd.

Anno 2010 zijn er de nodige gaten geschoten in de autonomie van decentrale overheden. Een handvol recente voorbeelden. Kersverse wethouders ontvingen een videoboodschap van minister Rouvoet, waarin hij uitsprak wat hij van hen verwachtte. Pardon? Sinds wanneer zouden wethouders hun beleidsruimte en kritisch vermogen meteen te grabbel moeten gooien om aan de landelijke leiband te lopen? De gemeente Winterswijk deed dat niet en nam voor dat haar door het ministerie opgelegde Centrum voor Jeugd en Gezin wel met een website kon volstaan. Hoe ongehoorzaam! De subsidie voor jeugdbeleid zou anders moeten worden teruggestort. Diezelfde subsidie belandde enkele jaren geleden ongevraagd op de rekening van gemeenten, maar er bleken wel verplichtingen aan te zijn vastgebonden. Weigeren kon niet. De strijd is nog niet gestreden, maar de macht van het geld brengt de gemoederen waarschijnlijk tot bedaren.

Een beetje gemeente heeft al snel een jaarbegroting van enkele honderden miljoenen euro’s. Maar hoeveel hebben de inwoners daarover te zeggen? In veel (grote) gemeenten wordt nog geen 10% opgebracht door lokale inkomsten, grondexploitatie uitgezonderd. OZB-stijgingen zijn beperkt, leges zijn door ’s lands minister van Binnenlandse Zaken aan een maximum gebonden. De grootste beleidsvrijheid ligt rond de hondenbelasting: die kun je ten minste nog afschaffen.

En tot slot: waarom roert de Tweede Kamer zich als gemeenten hun WMO-voorzieningen willen versoberen? Er zijn toch gekozen Statenleden en raadsleden die bestuurders aan kunnen spreken op de gemaakte afweging?

De staatsrechtelijke organisatie is in de grondwet zo geregeld dat er in eerste instantie een ‘eenheidsstaat’ is. De verschillende overheidslagen ontlenen daar vervolgens hun gezag aan. Daarmee onderscheidt Nederland zich van bijvoorbeeld federale staten, waar het centrale gezag is ontleend aan de samenwerkende (deel)staten. Het ‘gedecentraliseerde’ in gedecentraliseerde eenheidsstaat betekent echter ook dat er respect is voor de autonomie van lagere overheden. Het Rijk laat nadrukkelijk ruimte voor eigen beleidsterreinen waarop zelfstandig bestuurd en verantwoord kan worden. Dat werkt volgens het principe van de zogenaamde open huishouding. Tenzij expliciet anders is bepaald, mogen decentrale overheden zich overal mee bezighouden.

De genoemde voorbeelden laten zien dat de autonomie onder druk staat. Dat is niet geheel onbegrijpelijk. Zo is de landelijke democratie veel volwassener dan de decentrale. De politieke verslaggeving haalt in geen enkele gemeente het niveau van de landelijke kwaliteitskranten en het visuele journaille. Hetzelfde geldt voor de bonte verzameling van belangenorganisaties, adviesorganen en elkaar controlerende uitvoeringsorganisaties.

Een andere reden is dat veel centrale bestuurders zich onthand voelen na de decentralisatiegolf van de laatste decennia. Men had in eerste instantie weinig meer te zeggen over de uitvoering, maar stond daarmee vaak krachteloos tegenover het parlement. Nieuwerwetse sturingsinstrumenten als benchmarks, subsidies en de eerdergenoemde theevisites ten departemente boden een oplossing.

Ten derde ontbreekt lokaal soms gewoon de capaciteit en kwaliteit voor de uitvoering van veel taken. Oost-Groningse gemeenten waar net afgestudeerde jongelingen een dag per week beschikbaar hebben voor jeugdbeleid kunnen niet worden geacht tot ‘integraal jeugdbeleid’ te komen. Het logische gevolg is dat men zich graag door het landelijke laat ondersteunen en dat er al snel wordt samengewerkt in gemeenschappelijke regelingen die nog minder ruimte bieden voor democratie en variëteit dan wanneer de hele handel vanuit Den Haag was gedirigeerd.

Waarom is het zo erg dat op de lokale autonomie wordt beknibbeld? Daar zijn drie redenen voor.

Allereerst leidt Rijksbemoeienis veel te snel tot het gelijkschakelen van niet-gelijksoortige situaties. Herman van Gunsteren noemde dit in zijn afscheidsrede de methode van ‘Analyse & Implementatie’. In contrast daarmee staat ‘Variëteit & Selectie’. Laat Amsterdam het maar anders doen dan Bedum. De situatie verschilt, de inwoners hebben andere voorkeuren en de gemeenten hebben verschillende capaciteiten. De verschillen leiden tot mogelijkheden om van elkaar te leren, en de risico’s worden gespreid. Uiteindelijk leidt dit tot een hogere kwaliteit van beleid, die beter aansluit op de lokale maatschappelijke problemen.

Ten tweede holt een vraatzuchtig Rijk de lokale democratie uit. Als de lantaarnpaal wel, maar extra inkomensondersteuning geen onderwerp van vrije discussie mag zijn, neemt het burgerlijk ongeloof in het proces van besturen en verantwoorden af.

Tot slot is de centrale span of control zo groot dat het beleidsveld van een enkele minister nauwelijks meer te overzien is. Door zich enigszins te beperken, kan de kwaliteit van het overblijvende centraal beleid toenemen.

Het Huis van Staat is topzwaar. Dat gaat niet lang goed in een constructie uit 1848… Daarom is het tijd dat Rijk én gemeenten de gijzeling zo snel mogelijk beëindigen. De gijzelnemer heeft betere dingen te doen, en de gegijzelde moet na jaren van gewenning de knevel durven bevechten!

Er zijn nog geen reacties.


Schrijf reactie

* Velden met een sterretje zijn verplicht

captcha

Terug naar het blog